Het pleintje werd door Carlo Goldoni geschreven voor het Carnaval in Venetië van 1756. Het is geen intrigestuk, maar een aaneenschakeling van bonte taferelen.
Op het pleintje wonen enkele arme weduwen die hun dochters - respectievelijk zoon - zo snel mogelijk willen uithuwelijken, teneinde zelf weer "onder de pannen" te geraken.
Er wonen ook enkele buitenstaanders: de Cavaliere, signore Fabrizio en diens nichtje Gasparina, alledrie afkomstig uit Napels. Zij vormen een sociale groep die schril contrasteert met de ruwe 'autochtone' bewoners.
Dit stuk gaat niet alleen over sociale uitsluiting en over de onwil van de bewoners van het pleintje om indringers te laten integreren, maar ook over hun sluwheid om optimaal van die indringers te profiteren.
Hoewel deze sociale dimensie onmiskenbaar aanwezig is, is Het pleintje allesbehalve moraliserend. Goldoni slaagde er in om een heerlijk komisch spektakel te maken, maar waarin de personages toch meer zijn dan alleen maar types. Op deze manier ontstaat een prachtig beeld van de maatschappij van die tijd en welbeschouwd ook van heel wat maatschappelijke verhoudingen en menselijke gedragingen uit onze tijd.